woensdag 11 april 2018

Officiële mededeling met betrekking tot ‘Eksteroogs diagnose’


‘Vanuit een hoek van de voorkamer waggelt Annet langzaam naar mij toe, de handen om haar buik, alsof ze onder haar ochtendjapon een struisvogelei verborgen houdt. Ze ziet er moe uit. Haar buik is zo groot, zo groot, dat het diep binnen in mij steekt van afgunst. Wat ze anderhalf jaar geleden had uitgeroepen, nadat Dolf en Evelien hadden verteld dat zij zwanger waren: ‘O, maar dan wil ik ook!’   ‘Eksteroogs diagnose’, p. 189



William-Adolphe Bouguerea (1825-1905) – Maternal Admiration (1869), fragment


Blij en dankbaar geven wij kennis van de geboorte van
de definitieve versie van de roman

‘EKSTEROOGS DIAGNOSE’

geboren op 9 april 2018

‘Eksteroogs diagnose’ hebben wij nog niet gewogen,
maar hij telt 61 hoofdstukken,  272 bladzijden en 76.368 woorden.


Wij wensen hem van harte toe dat hij zijn weg mag vinden naar de lezers.

Een blik op ons kindje kunt u alvast werpen
door hierop te klikken.


Eric Steiner en zijn Muze Sophia Deçàdent

woensdag 21 maart 2018

Van kort verhaal naar volwaardige roman: ‘Eksteroog’ – deel VIII B


door
Sophia Deçadènt


Hadden je meelezers nog meer kritiekpunten?

Een paar spelling- of taalfoutjes, een verkeerde uitdrukking. Hier en daar kon nog wel een te uitleggerig zinnetje worden geschrapt.
Een van de nieuwe meelezers had zo zijn twijfels bij de relevantie van sommige Kefaloniafragmenten, of die het verhaal wel ondersteunden.

En wat heb je d’r mee gedaan, met die laatste opmerking?
Ik heb die fragmenten nog meer in verband proberen te brengen met de hoofdthema’s van de roman.

Zoveel kritiekpunten waren d’r dus niet. Waarom heeft ‘t dan nog zo lang geduurd, voordat je je bereid verklaarde voor dit interview?

Dat komt omdat ik niet meteen en ook niet zonder onderbrekingen met de opmerkingen en kanttekeningen aan de slag ben gegaan. Op mijn beurt heb ik van de twee nieuwe meelezers elk een manuscript doorgelezen en beoordeeld. Verder heb ik de hele maand november gebruikt om mijn National Novel Writing Month roman te schrijven: ‘Gesprekken met mijn moeder.’
Pas in december kon ik echt de slag gaan met de opmerkingen van mijn drie meelezers.

En dan nog vind ik dat je d'r behoorlijk lang over gedaan hebt

Ik heb echt niet stilgezeten, hoor. Nou ja, dus wel. Achter de computer.
Nog heel wat meer zaken heb ik binnen de roman met elkaar in verbinding gebracht. Zinnen die te veel op elkaar leken en bepaalde uitdrukkingen, geëlimineerd. Daarbij ontdekte ik dat ik nogal vaak bepaalde ‘stopwoorden’ gebruikte: misschien, heel, vaak, soms, veel, dus, toch, maar en hun synoniemen. In boeken van gerenommeerde schrijvers bleken die nauwelijks voor te komen. Ook in de roman ‘De IJskoning’ en ander werk van mij kwam ik die stopwoorden tegen. Vervolgens ben ik beide romans per stopwoord ter hand gaan nemen.
Daarna het geheel nog eens doorgelezen om te zien of door al dat vele schrappen de zinnen niet opeens geforceerd overkomen. Sommige woorden moesten toch weer terug worden geplaatst.

Vreemd hoor, dat je nu pas achter die stopwoorden gekomen bent.

Afstand schept inzicht.

Leg dat eens uit?

Eerst probeer je in het verhaal te komen, vervolgens in het hoofd van je personage. Als je verhaal en je hoofdpersonage er eenmaal staan, dan ga je kijken naar de stijl, zoek je naar verbanden, voeg je verbanden toe om er echt een eenheid van te maken. Daarna is het tijd om de hele tekst strak te trekken. Je zit nog steeds bovenop de woorden. Pas wanneer je wat afstand hebt kunnen nemen van het verhaal en je hoofdpersonage, ben je in staat om de kleine onvolkomenheden als bepaalde stopwoorden te ontdekken. Nu ik me er bewust van geworden ben dat ik ze gebruik, zal ik in denk ik ook staat zijn om ze direct bij eerste herlezing lezing te schrappen. – Afstand schept inzicht.

En na die schrappingen was je dan eindelijk klaar?

Bijna, bijna. Tussen 17 en 27 februari heb ik zowel ‘Eksteroog’ als ‘De IJskoning’ in zijn totaliteit nog één keer doorgelezen. Daarbij ben ik toch nog weer een paar tegenstrijdigheden tegengekomen (ja, nu pas, want ook hier geldt: afstand schept inzicht). Die heb ik weggewerkt. Ook tijdens een laatste spellingscontrole kwam ik nog een paar spellingfouten tegen die Word tot nu toe over het hoofd had gezien. Vreemd eigenlijk…  Maar goed, beide romans zijn nu dus definitief klaar voor de uitgever.

Geloof je ‘t zelf? Over ‘De IJskoning’ heb je  zo vaak gezegd dat die klaar zou zijn voor de uitgever. En telkens weer kwam je d’r op terug.
‘t Wordt tijd om ze los te laten, Eric! Bij elke herlezing zul je weer een foutje of een punt ter verbetering ontdekken. Maar dat zal een uitgever ook doen. Dus, loslaten! Stuur die beide romans eindelijk eens op. Nu!

Gelijk heb je.

woensdag 14 maart 2018

Van kort verhaal naar volwaardige roman: ‘Eksteroog’ – deel VIII A



door
Sophia Deçadènt


’t Was 30 augustus dat je voor ’t laatst iets te melden had over je vorderingen aangaande je roman ‘Eksteroog.’ Heel wat lezers zullen zich afvragen  hoe ‘t daar in vredesnaam mee gesteld is. Had je een writers block of zo?

Verre van dat.
Zoals ik je in deel VI van deze serie vertelde, was ik in februari 2017 begonnen de opmerkingen te verwerken die mijn meelezer op de verbeterde versie van ‘Eksteroog’ had gemaakt. Je kunt je misschien herinneren dat ze de roman nogal somber vond en wat meer lichtheid wenste.
Hiervoor heb ik 8 hoofdstukken van tezamen 40 pagina’s aan de roman toegevoegd, waarin onder andere de karakters van en de relatie tussen mijn hoofdpersonage Reinier Verbriest en zijn ex-vriendin Martha verder zijn uitgewerkt. Van die hoofdstukken spelen er zich 5 (23 pagina’s) af op het Griekse eiland Kefalonia, waar beiden zeven jaar geleden op vakantie zijn geweest.

Wat ben je toch een boekhoudertje.


…Het zit in de genen. Mijn grootvader van mijn moeders’ kant was kruidenier. …Zal ik verder gaan?  Goed dan.

Ondanks de wens naar meer lichtheid, achtte ik het gaandeweg nodig om toch nog twee iets zwaardere hoofdstukken van elk 3 bladzijden tussen te voegen. Ook kwam ik tot de conclusie dat bestaande tekst hier en daar iets moest worden uitgebreid. Beide ‘acties’ waren vooral nodig om extra verbindingen te kunnen leggen, om tot een nog betere structuur en spanningsboog te kunnen komen.
Uiteindelijk had ik na zeven maanden arbeid een roman op mijn computerbeeldscherm staan dat van 202 naar 267 pagina’s was uitgegroeid.
Op 28 augustus heb ik deze compleet nieuwe versie ter beoordeling naar mijn meelezer opgestuurd. Op haar verzoek heb ik dat ook gedaan naar twee andere collega schrijvers.
In september en oktober mocht ik van alle drie het manuscript met kanttekeningen en opmerkingen terugontvangen.

En hoe was hun oordeel?

Mijn eerste meelezer vond dat de roman vergeleken met de vorige versie er stukken op vooruit is gegaan. Belangrijke informatie wordt nu niet meer te lang achtergehouden. De gevoelens en gedachten van mijn hoofdpersonage Reinier Verbriest zijn voldoende uitgewerkt. Vooral vond ze de roman meer in balans, minder somber. Ze schreef: ‘Prachtig die gelukkige momenten met Martha op een Grieks eiland en al die verwijzingen naar de mythologie.’ Over de door mij toegevoegde positieve laatste zin van de roman, merkte ze op: ‘Mooi, mooi!’
Ook de twee nieuwe meelezers waren tevreden over ‘Eksteroog.’ Van hen kreeg ik min of meer bevestigd wat mijn eerste meelezer had opgemerkt. Alle drie ken ik overigens van het Daretoo Schrijverscafé.*
Over de roman in zijn geheel was de meest strelende opmerking wel deze: ‘een plezier om te lezen voor iemand als ik, die stijl het allerbelangrijkst vindt.’
Zo, en nu heb ik wel genoeg veren in mijn # gestoken!

Juist. Ook dat moet je nog een beetje beter leren beheersen, Eric. Niet te bescheiden zoals in deel VI, en niet te pocherig zoals nu.

Was er ook kritiek?

Een van de nieuwe meelezers was niet zo tevreden over het eind, vond het zelfs een anticlimax. Sowieso had ze moeite met de laatste bladzijden.
En de derde meelezer, die vond de (toegevoegde) laatste zin geen lichter einde.
Als je drie verschillende oordelen over het slot krijgt, dan kun je ervan uitgaan dat je goed zit. De derde meelezer gaf mij daarin de doorslag. Hij las meer dan ik er in had gelegd.
Conclusie: het slot van ‘Eksteroog’ is multi interpreteerbaar. Wat wenst een schrijver nog meer?

(het tweede deel van dit interview volgt volgende week)


*) Een door Daretoo in het leven geroepen LinkedIn groep voor schrijvers, redacteuren, schrijfcoaches, etc.

woensdag 28 februari 2018

Bloedprik

Wegkijken voor zo’n kleinigheid

Ik was in het ziekenhuis voor een bloedprik. Ik heb een hekel aan bloedprikken. Op het moment suprême kijk ik altijd weg. Dan voel ik er niets van.

De vijfde schuifdeur
In het gangetje nam ik plaats tussen de rij wachtende mensen. De een na de ander werd opgeroepen, verdween achter een van de vier schuifdeuren en kwam er na een paar minuten ook weer uit te voorschijn.
De vijfde schuifdeur bleef dicht.

De naald in het armpje - 1
Daar kwam een zacht jammeren vandaan. Van een meisje. Het jammeren nam toe en de moeder en de verpleegster die de naald in het armpje van het kind zou moeten zetten, spraken troostende en moedgevende woorden. Het kind liet zich niet vermurwen.
Ik kon mij dat goed voorstellen.

In één keer raak (dat mag je toch wel hopen)
Ik was een jaar of acht – negen. Misschien was het meisje aan de andere kant van die schuifdeur ook wel van die leeftijd. Dan heb je al zo veel hersentjes ontwikkeld dat je, om erger te voorkomen, vrijwillig je arm uitstrekt.
Dat deed ik toen ook. Ik geloof dat ik die dag voor het eerst ben gaan wegkijken. Want al die keren deed het zeer. Al die keren, ja. Die verpleegster prikte telkens mis. 
Op het laatst zei ze: ‘Ik ben een beetje grieperig. Ik geloof dat ik er maar even een collega bij haal.’
Die prikte in één keer raak.

‘Ben je er klaar voor?’
Uit het jammeren en de uitroepen van het meisje en uit de reacties van de moeder en de verpleegster kon ik afleiden dat ze er telkens bereid voor was, maar op het moment suprême net weer niet.
De moeder en de verpleegster probeerden haar opnieuw te overreden. Dat het maar even duurde en dat het echt geen pijn deed. De moeder kwam met beloftes, ik geloof tot aan een dagje pretpark aan toe. De verpleegster deed er nog een schepje bovenop. Maar wanneer een van de twee vroeg: ‘Ben je er klaar voor?’ riep het meisje: ‘Nee, nee, nee!’ en begon ze weer te schreien.
Ik meende zelfs te kunnen opmaken dat de verpleegsters van kamertje een tot en met vier erbij werden gehaald. Uiteraard niet allemaal tegelijk. Vanaf dat moment bleven alle vijf schuifdeuren dicht.

Meeleven en ongeduld
O, ik leefde met het meisje mee. Zo te zien deden de andere wachtende mensen dat ook. Langzaamaan begon ik bij een paar toch wel enig ongeduld te bespeuren. Maar toen bleek onze langste wachttijd er al weer op te zitten.

De naald in het armpje - 2
Vanachter de schuifdeur klonk opeens de stem van een man. ‘Wat is dit nu? Ben jij bang voor spuitjes? Voor zo’n klein prikje?’
Ongetwijfeld beschikte die man over een flinke dosis vaderlijke uitstraling, want met precies dezelfde beloftes als de moeder en de verpleegsters hadden gedaan én met een bepaalde instructie wist hij het zo te horen voor elkaar te krijgen dat hij de naald in haar armpje kon zetten.
Tijdens de bloedafname telde het meisje samen met haar moeder en de verpleegster luid en bezwerend tot vierentwintig en toen riepen ze alle drie, samen met de man uit: ‘Hoera!’

Verbazing en begrip
De schuifdeur ging open. De moeder duwde het kind met zachte hand naar buiten. Bij alle wachtende mensen meende ik een zekere verbazing te bespeuren. Ook ik stond er van te kijken. Het ging helemaal niet om een meisje van een jaar of acht – negen. Het ging om een jochie van een jaar of vijf.
De moeder keek schuldbewust om zich heen en sloeg vrijwel direct haar blik naar de grond. Maar ik geloof dat alle wachtende mensen wel begrip op konden brengen voor dit oponthoud veroorzaakt door het jochie. Wie heeft er nou geen hekel aan bloedprikken.

dinsdag 6 februari 2018

Met de oortjes naar achteren – een jeugdherinnering

zoals vanuit het perspectief van mijn vader weergegeven in de roman ‘De behouden stilte’:

Dat Maarten nu maar snel komt, dan is alles zo voorbij. Hij is daar ondanks zijn lamme hand erg handig in. Hij doet het nog wel bij meer mensen als die er om vragen. Hoe hij het voor elkaar krijgt? Hijzelf zegt: ‘Gewoon je verstand op nul zetten.’

Kijk daar heb je hem al. Op de fiets, en met een gezicht alsof hij even een bezoekje komt afleggen.
Louise schenkt koffie in. Hij vertelt de nieuwtjes uit het dorp, neemt Eric op zijn knie en speelt paardje met hem, zingt er een liedje bij. ‘Hop, hop, hop. Het paardje gaat in galop’
Tussendoor drinkt hij zijn koffie.
‘Zo,’ zegt hij na een tijdje, ‘klim er nu maar weer vanaf. Ga maar gezellig met je zusje spelen.’

Tina, die weet wat er te gebeuren staat. Ze pakt Eric bij de hand, doet geheimzinnig en lokt hem mee naar onze slaapkamer. Op ons bed giert ze het uit en roept ze dat hij zijn hoofd in de kussens moet verstoppen. ‘Waarom dan?’ vraagt hij. Ze heeft de deur opengelaten en ik zie dat ze hem in de kussens drukt en zelf duikt ze er ook in weg. Samen maken ze een hele hoop kabaal. Vandaag mogen ze.
‘Zal ik dan maar?’ zegt Maarten.

Zelf krijg ik het niet over mijn hart. Maar Maarten zet zijn verstand dus op nul. Haalt ze bij hun moeder vandaan, legt ze – zo stel ik me dat voor - een voor een in de arm van zijn lamme hand, in een mooi rijtje. Ze hebben de ogen nog dicht en piepen als vogeltjes, met de oortjes naar achteren. Nog geen drie dagen oud.

In zijn arm draagt hij ze naar buiten. Ik blijf binnen en zeg Louise dat zij ook binnen moet blijven. Wat komen gaat vindt ze verschrikkelijk. Maar ze begrijpt dat het nodig is. Anders komen er te veel en breek je er je nek over.

Hij zal over ons paadje tot halverwege de weg lopen, ze in het gras leggen en met een schop een tegel uit ons paadje lichten. In het gat van die tegel legt hij ze dan op de aarde neer. Vier op een rijtje. ‘Het gaat heel eenvoudig,’ heeft hij me verteld. ‘Het is zo gepiept.’

In ons bed blijft Tina krijsend en gillend aan het stoeien met Eric. Hij schatert het uit.

Als Maarten de tegel heeft teruggeplaatst en goed aangedrukt, zodat je niet kunt zien welke er voor is gebruikt, zal hij terugkomen. Kijk, daar heb je hem al.
Louise schenkt ons een tweede kop koffie in. Het eerste wat Maarten zegt, is: ‘Wanneer gaan wij weer eens vissen?’ Alsof hij even melkbussen aan de kant van de weg heeft gezet, in plaats van jonge katjes geholpen naar het hiernamaals.
Morgen zal ik Eric vertellen dat ze waarschijnlijk weggelopen zijn, zoals vroeger wel eens een hond.

Geïnteresseerd in meer fragmenten? Klik  rechts op de cover van ‘De behouden stilte’.

maandag 29 januari 2018

Wraak, of toch maar niet? (Dl. 3) – een romanfragment uit ‘De IJskoning’

Een pauw die pronkt met zijn veren
Ze bleef lang in de badkamer. Ik deed de tv aan en zapte wat rond. Bleef hangen bij een pauw die pronkte met zijn veren. Zag een man zijn blik laten gaan over de volle borsten van een passerende vrouw. Zag in een discotheek een blondine kijken naar de billen van een strippende man. Zag een leeuwin een leeuw een tik op zijn neus geven en hem vervolgens, na een hoop getalm tot zich toelaten. De voice-over liet woorden vallen als: ‘social behavior’, ‘agression,’ ‘territory,’ en ‘mate selection.’
   
Op de meest onverwachte momenten
Zita kwam terug, ging naast me op bed zitten en volgde een tijdje de documentaire met me mee. Ze zei: ‘Waarom redeneren die wetenschappers toch alles dood?’ Daar wist ik geen antwoord op. ‘Ik ga naar huis. Ik ben ongesteld.’
‘Ach, meisje,’ zei ik en ik legde even mijn hand tegen haar wang. ‘Heb je dan niets bij je?’
‘Nee, dat soort dingen, daar let ik nooit zo veel op. Het komt toch altijd op de meest onverwachte momenten.’
‘Je kunt wel wat van mijn moeder gebruiken. Zal ze heus geen bezwaar tegen hebben. Lag er niets in de badkamer? Zal ik wat voor je halen?’
‘Nee, is niet nodig. Als je net ongesteld bent geworden, bloed je niet zo veel, hoor. Het zijn maar een paar drupjes.’

Spijt
Ze bleef nog een uur met mij tv kijken en toen zei ze dat ze echt moest gaan. Ze gaf me een vluchtige kus op de wang, kwam in de benen en keek achterom naar de plek waar ze gezeten had. Opeens had ik spijt van alles wat ik haar had aangedaan. Wilde in het vervolg rekening met haar houden, aardiger tegen haar doen. Op een rustig moment haar vragen of haar stemmingswisselingen misschien te maken hadden met de dagen voorafgaande aan haar ongesteldheid. Van mijn moeder had ik al vanaf mijn dertiende begrepen dat zo’n vraag behoorlijk beledigend kon overkomen, dat je eigenlijk zei: ‘Chagrijnig? Je moet zeker ongesteld worden, hè? Geeft niet, hoor. Laat het me voortaan wel even van tevoren weten. Bespaart een hoop misverstanden.’ Maar juist door niet door te vragen, kweekte je toch misverstanden?

Geïnteresseerd in meer fragmenten? Klik hieronder op de button ‘De IJskoning’, en/of  rechts op de cover van de roman.

maandag 22 januari 2018

Wraak, of toch maar niet? (Dl. 2) – een romanfragment uit ‘De IJskoning’

Mensen weten niet meer wat ze aan je hebben
’s Avonds op mijn kamer wees ik haar er op dat ze soms zo tegenstrijdig kon zijn. ‘Dat is behoorlijk verwarrend, Zita. Je moet wel consequent blijven.’
‘Waarom? Ik mag toch wel van mening veranderen?’
‘Daardoor kom je erg ongeloofwaardig over. Mensen weten niet meer wat ze aan je hebben.’
‘Nou, en wat zou dat,’ zei ze. ‘Het gaat er om wat ik er van vind.’
‘Wil je dat dan? Dat mensen je op het laatst volledig links laten liggen?’
‘Kan mij ‘t schelen. Doen ze nu toch al.’
‘Overdrijf toch niet zo. Je hebt mij, je hebt mijn moeder, je hebt die vriendin van je. Maar als je zo door gaat, blijft er op een gegeven moment echt niemand meer over. Dan vereenzaam en verkommer je. Word je pas een half jaar na je dood gevonden, nadat de buurt is gaan klagen over stank.’
Ze trok met een mondhoek en uit een oog gleed een traan.

Iedereen zit te zieken tegen mij!
‘Sorry, Zita. Zo heb ik het niet bedoeld.’
‘Ach, hou toch op!’ Ze snotterde. Haar lippen trilden, haar ogen sprongen vol, en met de tranen kwamen de woorden. ‘Iedereen zit te zieken tegen mij! Met m’n moeder heb ik ruzie en m’n broertje en twee zusjes hebben ook de pee in. Omdat ik zo chagrijnig reageer op alles wat ze zeggen en doen. Kut, kut, kut! Het gaat me de hele week al slecht. En dan moet jij ook nog met van die kutopmerkingen aan komen zeiken. Klootzak.’

Een grimas
‘Kom op, Zita. Ik zat je alleen maar een beetje te pesten. Hé.’ Ik porde haar in de zij. ‘Je moet je niet zo gevoelig zijn voor wat anderen zeggen.’ Ik trok een grimas, misschien vrolijkte dat haar een beetje op. Maar ze liet zich achterovervallen op mijn kussens. Met haar handen bedekte ze haar gezicht en toen ik haar nog eens porde, beet ze me toe: ‘Laat dat!’
Achter haar handen snoof ze een hoop snot op. Echt goor. Ik had nooit geweten dat een meisje daartoe in staat zou kunnen zijn. Mijn blik gleed over haar lichaam, van haar kuiten, naar haar dijen en heupen, van haar schouders naar haar handen.

Nog meer grimassen
‘Nu niet flauwvallen, mevrouw,’ zei ik met een zware stem. Ik verliet het bed en kroop over de vloer. Maakte apengeluiden en trok nog meer grimassen. ‘Hoe hoe!’ deed ik en ik stampte met beide vuisten op mijn borst en ik zag dat ze haar vingers iets had gespreid om mij stiekem te kunnen volgen. ‘We hebben nog ons huiswerk te doen. Hoe, hoe! Kom overeind. Of moet ik de dokter bellen. Is het zo erg gesteld met u? Hoe! Hoe!’ Opnieuw sloeg ik mij op de borst, kroop ik onrustig voor het bed langs, van het voeteneind naar het hoofdeind en van het hoofdeind naar het voeteneind, en telkens inspecteerde ik met een idioot vertrokken gezicht hoe het met haar was.

Niet op de beddensprei!
Ze snotterde niet meer. Ze had haar handen tegen haar mond gedrukt en haar buik begon te schokken.
‘Die Vernooi met zijn opmerkingen,’ zei ik. ‘Moet u daar nu heus van flauwvallen? U bent toch geen ouderwetse dame met een te strak korset om het lijf?’ En met een kinderstemmetje: ‘Nee, ge zijt een moderne vrouw.’
‘Hou alsjeblieft op,’ piepte ze. ‘Anders doe ik ‘t nog in m’n broek.’
‘Niet op de beddensprei! Niet op de beddensprei!’
Ze proestte het uit, kwam overeind en snelde naar de badkamer.