maandag 15 januari 2018

Wraak, of toch maar niet? (Dl. 1) – een romanfragment uit ‘De IJskoning’

De Dood met zijn gore bek
In de keuken sneed ik cake. Naast mij haalde Zita een nieuw pak koffie en een filterzakje uit een van de aanrechtkasten. Toen ze klaar was met haar toebereidselen en het koffiezetapparaat had aangezet, draaide ze zich om. Tegen het aanrecht aangeleund, stond ze door het geopende doorgeefluik stil het tafereel in de woonkamer gade te slaan. Elk in een fauteuil: mijn moeder en Jessica Overmaat. Tussen hen in, in een hoek van de bank: Jessica Overmaats dochter, die met het zonlicht op haar hoofd haar baby de borst geeft.



Zita’s lippen krulden. Ik deed een stap en vlak naast haar wang keek ik met haar mee. Ik zei: ‘Zo, kleine knul. Nu ben je nog een fris klein ding aan moedertjes borst. Je billetjes nog in de oude wijvenplooien. Ellende? Heb je nog geen weet van. Alles is nieuw. Maar er zijn wel al wensen. Verlangens. Nu staan nog de kleine dingen voorop. Je tandeloze mond aan haar borst. Je drinkt. Doe maar flink je best. Drinken, dat is voor jou het allerbelangrijkste wat er bestaat. Je bent nog zo klein. In je hulpeloze brein steekt nog geen venijn. Eén stap - en ze hebben je plat. Voor je het weet, ben je er geweest. Zal je dat ook nog denken op je tachtigste? Als het definitieve klokje heeft geslagen? Wanneer je hart het heeft afgelegd tegen de Dood? De Dood met zijn gore bek, hij zal je zeggen dat het leven slechts één ding heeft voorgesteld: een en al zinloosheid.’
‘Wees toch niet zo cynisch. Jij. Jij.’
‘Tja, zo ben ik nu eenmaal.’
‘Ik word er naar van.’
‘Sorry dan,’ zei ik.

Er mee doodgegooid
We brachten de cake en de koffie naar binnen. Jessica Overmaat gluurde mijn kant op, alsof ze wenste dat ik meteen weer naar de keuken zou terugkeren. Maar het was al gebeurd. Tussen het moment dat de baby had losgelaten en de blouse in een eindeloze eeuwigheid was dichtgeknoopt, had ik de hele blanke borst gezien, met tepel en al. Dacht die Jessica Overmaat soms dat mij zoiets nog naar de keel zou grijpen? NVSH-plaatjes en -foto’s geschikt voor kinderen van negen tot twaalf: ik ben er mee doodgegooid. Aan de hand van die plaatjes en foto’s heeft mijn moeder mij ook uitgelegd, hoe het nu precies ging tussen een man en een vrouw. Ze heeft mij verteld hoe zij en mijn vader het hadden gedaan, die eerste keer, die tweede keer en nog een paar keren daarna ‘tot het helemaal perfect was. Met heel veel liefde, aandacht en geduld.’ En met diezelfde hoeveelheid liefde, aandacht en geduld, vertelde ze me later, was ik gemaakt. Op een juliavond, in Joegoslavië.

Klopjes op de rug
‘O, dat lijkt me geweldig,’ hoorde ik Zita zeggen.
Ze zat naast Jessica Overmaats dochter op de bank en kreeg een doekje over haar schouder gelegd, waar ze het hoofdje van de baby tegenaan liet rusten. Ze wiegde hem, gaf hem klopjes op zijn rug, keek ernstig mijn kant op en zei: ‘Wat ie allemaal in z’n vorige levens mag hebben beleefd? Zo rustig als ie is. Oeps!’ Ze draaide haar ogen naar het babyhoofdje. Iets van wat hij zo even nog gulzig naar binnen had gesabbeld, had hij in een oprisping op het doekje gemorst.

Geïnteresseerd in meer fragmenten? Klik hieronder op de button ‘De IJskoning’, en/of  rechts op de cover van de roman.

zondag 7 januari 2018

Als kleuter achterover vallen - reprise


Nadat ik onder zijn gewicht achterover op de grond was gevallen en daardoor enige tijd het bewustzijn had verloren, duurde het niet lang of hij was verdwenen, mijn vaders hond Max. Weggelopen.
Meermalen heeft mijn vader zich een hond aangeschaft. Voor mijn geboorte moet hij er een gehad hebben die vooraan ons paadje op wacht stond met een sigaar in zijn bek. (Maar dat geloof ik nu niet meer).
Mijn vader voedde ze streng op. Ik als kleuter kwam er tegen in verzet, wanneer hij het dier berispend aan een oor trok.
Nadat zijn laatste hond de postbode in de hand had gebeten, moest hij hem weg doen. Mijn vader stemde ermee in dat we voortaan over zouden gaan op katten.

dinsdag 12 december 2017

In een opwelling – romanfragment uit ‘De IJskoning’


Van opzij en met veel wit in het rechterdeel van haar ooghoeken, keek Zita naar me op. Al die expressies in haar gezicht, hoe snel ze elkaar verdrongen. Verwarring - boosheid - verbazing. En toen verscheen er langzaam een glimlach om haar lippen. Haar hoofd ging omhoog, haar lange wimpers daalden. Haar neus en lippen kwamen dichterbij. Ik kuste haar opnieuw. Ja, ik had haar gekust, in een opwelling. Ze was iets uitgebreid, op haar omslachtige manier aan het vertellen, mijn geduld raakte op en toen kuste ik haar. En niet eerst op haar wang, nee: direct op haar mond. En nu kuste ik haar voor de tweede keer. Ik wilde het helemaal doorleven. Maar de hele tijd dacht ik: nu kus ik haar - nu kus ik haar. Hoe moet ik haar kussen?

Ik voelde haar armen om mijn hals. Had ze gemerkt wat voor woekerende gedachten er tijdens het kussen in mijn hoofd waren gaan rondspoken? Nee, haar ogen straalden. Ze streelde mijn overhemd, van de elleboogholte naar mijn hand en zei: ‘Laten we een eind gaan fietsen.’

Ze deed vrolijk en gek. We gingen naar de tennisbaan. Na onze warming-ups sloeg ik de bal als het even kon zo hoog en hard mogelijk van mij af dat ze zich extra zou moeten inspannen. Er verschenen zweetplekken onder haar oksels, maar ze bleef plezier houden in het zwaaien met het tennisracket. Ik begon nog harder te slaan, heel gericht.
‘Auw!’ De bal was tegen haar hoofd gepetst. Ik liep naar haar toe. ‘Dat was bijna in m’n oog, man!’
‘Laat eens zien.’
‘Nee!’
Ze hield haar hand stevig tegen haar slaap, ik moest hem wegtrekken. Ik legde een kus op haar slaap. Wéér een kus. En zei: ‘Nu wordt het zeker geen blauwe plek meer.’

maandag 4 december 2017

De National Novel Writing Month 2017 – de finish



Donderdag, 30 november 2017 was het dan zover. Tussen half twaalf en half een heb ik nog een flink aantal woorden aan mijn roman ‘Gesprekken met mijn  moeder’ toegevoegd, o.a. een scene waarin mijn moeder als kind mij rondleidt in de buurt waar ze heeft gewoond.
Vervolgens heb ik de hele tekst ge-upload naar de NaNoWriMo site, om daar door een computer het totaal aantal woorden te laten tellen en zo toegang te kunnen krijgen tot mijn certificaten. Want die heb ik met 57523 woorden ruimschoots verdiend.


Deze Nanowrimo festijn had geen dag langer mogen duren. Want terwijl ik een beetje zat te genieten van het feit dat ik het ook dit jaar heb gehaald, overviel mij regelmatig een flinke niesbui. Ja, ik werd die dag verkouden. Ik ben er nog niet helemaal van hersteld. Daarom houd ik het deze keer kort.

Meer weten over de zin en onzin van de National Novel Writing Month? Lees dan: ‘Dertig dagen rammen’


maandag 13 november 2017

De National Novel Writing Month – dag 13



Totaalscore en vooruitzichten
We zijn bijna halverwege. Uit bovenstaand statistiek, afkomstig van mijn 'personal NanNoWriMo site', valt af te leiden dat ik goed bezig ben. Vanmiddag om drie uur stond de totaalscore op 25.059 woorden. Wanneer er niets tussen komt – een verkoudheid, een ontvoering of zelfs een ramp van wereldformaat, waar ik vooralsnog niet vanuit ga – zal ik zeker de 50.000 woorden halen en mijzelf aan het eind van de maand, samen met miljoenen andere National Novel Writing Month deelnemers, een winnaar mogen noemen.

Kwantiteit en kwaliteit
Ik heb het al eerder aangekaart: bij het schrijven van de National Novel Writing Month roman gaat het niet om de kwaliteit, maar om de kwantiteit.
Toch zullen lezers nieuwsgierig zijn naar wat er tot nu toe zoal aan interessants en minder interessants is geproduceerd.

Daarom hieronder het begin van de eerste alinea, zoals geschreven op 1 november:

De notities die ik in de dagen en maanden na mijn moeders overlijden heb gemaakt, ben ik kwijt en tijdens het zoeken er naar heb ik mijn rug geblesseerd. Alsof mijn moeder vanuit het hiernamaals wilde zeggen: laat toch rusten. Maar ik kan het niet laten rusten. Ik lijk te veel op mijn moeder, door haar beter te leren begrijpen, hoop ik mijzelf ook beter te leren begrijpen.

En een fragment van wat ik vandaag geschreven heb(, als monologue intérieur van mijn moeder op veertien jarige leeftijd):

Ik zit mezelf ook wel eens af te vragen waarom ik maar zo weinig eten verdragen kan, maar ik heb het er met niemand over. Mama wel. Tenminste ik verdenk haar ervan dat ze mijn slechte eetgewoontes met een van haar zussen - mijn lievelingstante nog wel - heeft besproken, want die liet zich op een middag ontvallen dat ik wel eens een beetje ijdel zou kunnen zijn, dat ik misschien wel zo weinig eet omdat ik net zo slank en knap als mijn drie zussen wil worden. Ja, ik weet het, ik ben niet de knapste. Maar ijdel?
Blij toe dat papa op dat moment niet thuis was, anders zou hij zeker weer iets uit de Bijbel hebben aangehaald, of mij en mijn drie zussen de eerstvolgende zondagmiddag rondom zijn harmonium hebben bijeengeroepen om samen een lied aan te heffen over zonde en berouw.



maandag 6 november 2017

National Novel Writing Month 2017


Dit jaar doe ik voor de zesde keer mee met de NationalNovel Writing Month. Dat betekent dat ik zal proberen een eerste versie van een roman van minstens 50.000 woorden te schrijven, en dat in dertig dagen tijd.

Was de eerste keer nog het onderwerp het leven van mijn vader, wat resulteerde in de allereerste en aller ruwste versie van ‘De Behouden Stilte’ – nu zal het gaan over het leven van mijn moeder.

Ik had al veel eerder over haar willen schrijven, een paar maanden na haar overlijden in 1996. Maar ik ben toen niet verder gekomen dan anderhalve bladzijde. Het was allemaal nog te dichtbij.

En nu is de afstand zo groot, zullen sommigen denken, dat het moeilijk wordt om al die herinneringen weer naar boven te halen.
Dat hoeft niet. Wanneer je in de tegenwoordige tijd schrijft en voor het grootste deel het principe van Show, don’t tell hanteert, heb je al veel gewonnen. Schrijven alsof je het nu beleeft.

De vooruitzichten zijn goed. Dit is nog maar dag zes en mijn manuscript bevatte gisteravond 8516 woorden. Dat is precies op schema. Dat betekent niet, even lui achterover hangen. Nee, meteen weer aan de slag.

zaterdag 28 oktober 2017

Ik zou maar uitkijken als ik jou was – romanfragment uit ‘De IJskoning’


Ik zette mijn fiets tegen de zijwand van de abri en ging naast Caspar zitten. Terwijl hij naar de overkant van de straat tuurde, verscheen er een grijns over zijn gezicht.
‘Je helpt haar dus met Engels les.’ Hij draaide zijn hoofd naar me toe. ‘Ben je al met haar naar de bioscoop geweest? Nee? Dan hebben jullie het dus ook nog niet gedaan.’
‘Wat is dat voor onzin.’
‘Dat is gewoon zo, Patrick. Echt, je kunt pas samen naar de bioscoop wanneer je met elkaar naar bed bent geweest.’ Met een duistere blik voegde hij er aan toe: ‘Ik zou maar uitkijken als ik jou was.’
Ik sprong overeind. ‘Je begint al net zo te zeuren als mijn moeder! Nooit – nooit zal ik proberen om haar te versieren. Meisjes. Ze maken je volwassen. En dat is wel het laatste wat ik wil: volwassen worden. Op mijn eenentwintigste zal ik de jaren omkeren, Caspar. Ja, vanaf mijn eenentwintigste zal ik weer negentien, zeventien, zestien, tien, vijf en vier worden. Om - om ten slotte helemaal op te kunnen gaan, op te gaan in het niets.’
‘En de Nobelprijs die je later zo graag wilde winnen?’ vroeg hij koel. ‘Terug naar de baarmoeder dus.’
Hij haalde zijn broodtrommeltje tevoorschijn en zette zijn tanden in een dubbele boterham met gebakken ei. Ik nam weer naast hem plaats, met de handen in mijn jaszakken en de blik op de uiteinden van mijn gestrekte benen.
‘Heus: Ik wil haar alleen maar helpen. Haar uitspraak is miserabel.’
‘Ik betwijfel of je wel zo zeker van je eigen overtuiging bent, Patrick. Laat ik je daarom een tip geven. Wanneer zij te dicht bij je komt, die Zita Rozenmond: weet je wat je dan moet doen? Beginnen over de dood.’